Highlights
Homeopathie in de Diergeneeskunde

Drs. A.H. Westerhuis, dierenarts gezelschapsdieren
a.westerhuis@vetined.nl

Drs. E.C. van der Waa, homeopathisch werkend dierenarts
info@homeopathischdierenarts.nl

Prof. dr. V. Baumans DVM PhD DipECLAM, dierenarts specialist proefdierwetenschappen Universiteit Utrecht
v.baumans@uu.nl


 

Wat kan homeopathie de diergeneeskunde bieden?

Volgens de meeste (veterinaire) wetenschappers niets; volgens de meeste homeopathisch werkende dierenartsen veel. Wetenschappers hebben in het algemeen geen kennis van homeopathie bij dieren, noch ervaring met de toepassing ervan in de praktijk. Homeopathisch werkende dierenartsen hebben dat wel.

Wij willen proberen om – op basis van vele jaren ervaring met de toepassing van homeopathie in de reguliere (a) dierenartsenpraktijk – aan te geven hoe de homeopathie op een professionele manier is in te passen in de diergeneeskunde.

Er zijn twee redenen waarom wij dit willen doen:

De eerste reden is, dat wij vinden, dat cliënten van een dierenarts, die ook homeopathie toepast, moeten weten wat ze reëel kunnen verwachten van deze geneeswijze.

Ten tweede willen wij aantonen dat homeopathie nog steeds past in de diergeneeskunde van de toekomst.



Evidence based medicine (EvBM)

De moderne reguliere diergeneeskunde probeert zoveel mogelijk te werken op basis van wetenschappelijk bewijs: evidence based medicine. Als wetenschappelijk bewijs voor effectiviteit en veiligheid van een behandeling wordt het gerandomiseerd onderzoek met controlegroep, afgekort RCT (b), beschouwd als de beste methode.

Niettemin worden er bij RCT’s soms toch nog wel eens vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid van de resultaten (1). Bovendien is niet alles op deze wijze goed te onderzoeken. Ook zijn er veel (effectieve) reguliere behandelingen, waarvan (nog) nooit een RCT is gedaan, maar die wel door iedereen met succes worden toegepast of gebruikt.

Bij RCT’s gaat het om populaties dieren, in de kliniek gaat het om individuele dieren.

Het blijkt (dus) in de dagelijkse realiteit van de kliniek, waar individuele dieren behandeld worden, dat EvBM lang niet altijd consequent kan worden doorgevoerd. In die gevallen is praktijkervaring van de betreffende dierenarts nodig om nuances aan te kunnen brengen in de behandeling die weliswaar niet wetenschappelijk zijn onderbouwd, maar wel effectief.

Al doen we nog zo ons best het zal nooit lukken om 100% EvBM door te voeren in de kliniek, ook niet in de diergeneeskunde.

De primaire doelstelling van geneeskunde zou niet de methodiek moeten zijn, maar het resultaat: genezing.

In de richtlijnen die worden opgesteld in het kader van het Centraal Kwaliteits Register Dierenartsen (CKRD) zal met deze realiteit rekening worden gehouden. Het uitgangspunt van al het veterinaire handelen is EvBM. Maar als dat in de praktijk niet mogelijk is (niet voor handen of niet uitvoerbaar) kan, mits onderbouwd, daarvan afgeweken worden. Het motto is ‘Toepassen’ van EvBM of ‘Toelichten’ van een alternatief (3).

 

Experience based medicine (ExBM)

Homeopathie is een ‘oude’ empirische geneeswijze die gebaseerd is op (positieve) ervaringen met de toepassing ervan: experience based medicine. Bij de toepassing volgen we de theoretische principes van de homeopathie en maken gebruik van de homeopathische Materia Medica.

Homeopathie is qua werkingsprincipe helaas nog onvoldoende wetenschappelijk bewezen. Van Wijk en Wiegant (5) toonden weliswaar aan dat het hormesis (c) effect – in de homeopathie bekend als het similia of gelijkenis principe – tot in zeer hoge verdunningen nog aanwezig is. Ive et al. (3) toonden aan dat het hormesis effect in een verdunning van 10-400  zelfs duidelijker was dan in verdunningen van 10-60 en 10-12.

Dit verklaart echter nog niet waarom een homeopathische ‘verdunning’ kan werken zonder de aanwezigheid van moleculen van de oorspronkelijke stof. Hiervoor is ander onderzoek gaande vanuit de natuurwetenschappen. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar het “geheugen van water”. Via verbindingen tussen de watermoleculen blijft er informatie achter in het oplosmiddel (water) van de oorspronkelijke stof (4,5).

Wat betreft de klinische effectiviteit zijn er verschillende humane studies uitgevoerd waaruit een effect groter dan placebo en verglijkbaar met een reguliere behandeling blijkt (5).

In de homeopathie zijn we praktisch gesproken voor een groot deel afhankelijk van ervaringen met effectieve behandelingen; ervaringen van onszelf en die van anderen. Ervaringen kunnen bedrieglijk zijn. Dat geldt natuurlijk voor iedere geneeswijze, regulier of complementair (d). Is er genezing dankzij of ondanks het middel? Hoe betrouwbaar, hoe objectief zijn de waarnemer en de waarneming? Hoe groot is het aantal vergelijkbare waarnemingen, ook van anderen? Immers hoe vaker dezelfde waarneming is gedaan aan verschillende patienten, door verschillende mensen onafhankelijk van elkaar, des te beproefder is het middel; minder vaak is minder beproefd!

Een aantal homeopathische artsen heeft geprobeerd via onderzoek de betrouwbaarheid van de gebruikte homeopathische middelen aan te tonen en te vertalen in een likelihood ratio (6), waardoor een voorschrift betrouwbaarder gedaan kan worden.

Een gegeven is wel, dat we in de praktijk regelmatig opmerkelijke homeopathische successen zien juist bij (regulier) uitbehandelde patiënten en juist als tijd, toeval en suggestie geen voor de hand liggende verklaringen meer zijn voor het goede resultaat.



Integrative medicine: een mix van EvBM en ExBM.

Integrative medicine (integrale geneeskunde) staat voor de integratie van het beste uit alle verschillende geneeswijzen, EvBM en ExBM, regulier en complementair (d); om voor het dier tot de beste en meeste effectieve behandeling te komen.

Veterinair handelen zal in het algemeen dus een mix zijn van evidence based en experience based medicine.

Als we het hebben over experience based medicine horen daar alle behandelingsmogelijkheden bij, die niet evidence based zijn, maar waarvan we uit ervaring weten dat die wel effectief zijn en onmisbaar. Alle dierenartsen doen dagelijks en op grote schaal aan experience based medicine!

Het is wel goed om te streven naar zoveel mogelijk evidence based veterinair handelen, ook op complementair gebied.

De keuzes die in deze mix per individuele patient gemaakt worden, worden bepaald door de mate waarin effectiviteit, veiligheid (inclusief patiënt vriendelijkheid) en duurzaamheid beproefd is, evidence of experience based.



Diagnostiek in de diergeneeskunde

De moderne, reguliere diagnostiek is op dit moment verreweg de meest ontwikkelde en meest betrouwbare vorm van diagnostiek om ziekten en pathologische afwijkingen aan te tonen. De homeopathie maakt daar bij de bepaling van het juiste homeopathische geneesmiddel  nog nauwelijks gebruik van. En dat is jammer.

Naast de, binnen de homeopathie gangbare, gedetailleerde omschrijvingen van klinische symptomen kunnen aanvullende onderzoeken zoals urineonderzoek, bloedonderzoek en diagnostische beeldvorming een toegevoegde waarde hebben; ook bij het beoordelen van het effect van een behandeling.

Als dierenartsen starten we altijd met up-to-date reguliere evidence based diagnostiek, klinisch onderzoek en aanvullend klinisch onderzoek. Zonder dat kiezen voor een geneeswijze en/of een bepaalde behandeling is niet professioneel; zonder dat is de kans op fouten en dus schade aan de patient groter.

De binnen de complementaire geneeswijzen toegepaste diagnostische hulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld de Vegatest (bioresonantie), EAV (electroacupunctuur) en de Lecherantenne (wichelroede) zijn niet evidence based en alleen bedoeld als extra onderzoeksmogelijkheden bij complementaire geneeswijzen. Ze zijn nooit bedoeld als methode op zich. Daarmee starten, in plaats van met de reguliere diagnostiek, is evenmin professioneel.



Reguliere behandeling

Door de reguliere diagnostiek weten we als dierenarts wat er aan de hand is (diagnose), kunnen we het verloop van de ziekte inschatten (prognose) en weten we wat we moeten doen (behandeling). Als dierenarts! Dieren mogen niet voor niets volgens de Wet Uitoefening Diergeneeskunde (WUD) alleen door een dierenarts behandeld worden en niet door leken. En dat geldt voor zowel de reguliere als de complementaire diergeneeskunde.

We ‘screenen’ eerst de reguliere behandelingsmogelijkheden. Die zijn altijd eerste keus. Evidence based en/of experience based. We wegen kansen (effectiviteit), neveneffecten (veiligheid inclusief patientvriendelijkheid) en duurzaamheid (causaliteit) tegen elkaar af.

Op basis van de juiste reguliere diagnose kunnen we in levensbedreigende situaties, onmiddellijk en adequaat met effectieve reguliere methodes succesvol ingrijpen; bijvoorbeeld bij shock, overmatig bloedverlies of tekort aan kalium in het bloed. We kunnen chirurgisch ingrijpen als we al vantevoren weten dat uitsluitend medicatie niet zal gaan werken. We kunnen reguliere medicatie inzetten, waarvan we weten dat het een zeer grote kans heeft dat het werkt zonder (heftige) bijwerkingen op de lange termijn.

Pas als de reguliere diergeneeskunde geen behandeling kan bieden – een behandeling waarbij er een goede kans is op succes en/of waarvan de (mogelijke) neveneffecten acceptabel zijn en/of waarvan het bereik groter is dan alleen een symptomatisch effect – dan kan de stap gemaakt worden naar een beproefde complementaire geneeswijze, zoals de homeopathie.

Er zijn ook gevallen waarin deze beide geneeswijzen, reguliere diergeneeskunde en homeopathie, naast elkaar toegepast kunnen worden, elkaar kunnen ondersteunen.

Als voorbeeld noemen we de patient met een huidallergie. Met de reguliere diagnostiek (bijv. allergietest) hebben we een vermoeden wat er speelt. Aan de hand daarvan zetten we een reguliere behandeling in (bijv. hyposensibilisatie of een hypoallergeen dieet). Niet zelden ervaren we, dat de behandeling niet werkt. De jeuk blijft.

Vervolgens wordt de patient (blijvend) behandeld met corticosteroïden (ernstige bijwerkingen) of cyclosporinen (zeer kostbaar). Om redenen van bijwerkingen, kosten, maar in een aantal gevallen ook, omdat de corticosteroïden en cyclosporinen blijken niet voldoende werkzaam te zijn, is het gerechtvaardigd om te proberen om de patient met homeopathie te behandelen of een andere complementaire behandeling, zoals fytotherapie of orthomoleculaire geneeskunde.

Als ondersteuning van de homeopathie kan een hypoallergeen dieet gecontinueerd worden; zeker als er sprake was van een geringe verbetering op het dieet. Ook de combinatie met extra essentiële  vetzuren. Waarom niet? Het gaat om het welzijn van de patient. Als de homeopathie weliswaar werkt, maar er zijn toch nog af en toe momenten van een verergering van de jeuk (bijv. zomers), dan zouden in die periodes tijdelijk cyclosporines kunnen worden voorgeschreven.

De werkelijke diagnose is (achteraf) vrijwel zeker niet allergie. We zien symptomen die passen bij een allergie, kennen de resultaten van de reguliere onderzoeken die ‘bevestigen’ dat er sprake is van een allergie-voor, maar de diepere oorzaak daarachter kennen we niet. De hypothese achter het werkingsprincipe van de homeopathie leert ons dat het best passende homeopathisch middel (simillimum of meest gelijkende middel) in staat zou moeten zijn de ziekte causaal te beïnvloeden.

Als tweede voorbeeld noemen we de patient met arthrose, die soms al op jonge leeftijd, veroordeeld wordt tot levenslang gebruik van NSAID’s met alle nadelige effecten op het maagdarmkanaal en de belasting van lever en nieren. Er bestaan verschillende homeopathische complexpreparaten die de klachten van artrose enorm kunnen verminderen en veel minder belastend zijn voor het lichaam; ook voor de langere termijn.

Vanuit professioneel oogpunt is het volledig gerechtvaardigd, uit oogpunt van betrokkenheid met de patient een ‘plicht’, om bij gebrek aan reguliere mogelijkheden op zoek te gaan naar andere mogelijkheden om het welzijn van het dier te verbeteren. Voor dierenartsen houdt de zorg voor het welzijn van dieren niet op bij de grenzen van de reguliere diergeneeskunde.



Homeopathische behandeling

De homeopathie is gebaseerd op het similia of gelijkenis principe. De dierenarts gaat op zoek naar het homeopathische geneesmiddel dat qua beeld het beste past bij het ziektebeeld van de patient

We beschouwen de homeopathie als een prikkeltherapie. En omdat een homeopathisch middel nauwkeurig afgestemd moet worden op de individuele patient, spreken we van een specifieke prikkeltherapie. Een prikkeltherapie prikkelt / stimuleert het zelfgenezend vermogen van het lichaam. Althans dat is de hypothese. Daarmee is de homeopathie ook niet voor alles toepasbaar.

Een botfractuur kan bijvoorbeeld alleen maar goed genezen als de fractuurdelen eerst correct zijn gereponeerd en gefixeerd. Een deficiëntie kunnen we alleen verhelpen met een supplement. Een dodelijke virusinfectie kunnen we alleen voorkomen met een vaccin. Bij ernstige bacteriële infecties schrijven we antibiotica voor.

De kracht van homeopathie is echter dat het ondersteuning biedt van binnenuit. Dus niet de bacterie aanvalt, maar het lichaam versterkt zodat het zelf de bacterie te lijf kan gaan, mits het lichaam dat aankan en de infectie niet te ernstig is. Juist bij de chronische gevallen van oor- en blaasontsteking, waarbij dieren eindeloos antibiotica krijgen voorgeschreven is een andere benadering zinvol.

Vandaag de dag staan overmatig gebruik van antibiotica en de nadelige gevolgen voor de volksgezondheid volop ter discussie. Het zou een goede zaak zijn als experience based medicine zoals fytotherapie, homeopathie, pre- en probiotica, organische zuren, enzymen, aetherische oliën e.d. nu opnieuw serieus bekeken worden als alternatieven voor het gebruik van antibiotica, in die gevallen waar geen sprake is van levensbedreigende infecties.



Geneesmiddeldiagnose

In het voorgaande is al uitgelegd, dat de gelijkenis tussen ziektebeeld van de patient en het beeld dat het homeopathisch toegepaste, verdunde middel in onverdunde vorm kan opwekken bij een gezond mens / dier tot in de details moet kloppen.

Naarmate de gelijkenis nauwkeuriger is, tot op alle niveaus (locaal fysiek, algemeen fysiek, psychisch en constitutioneel), is de kans op een causale therapie groter. Zo luidt de theorie en zo nemen we dat, in een aantal gevallen, ook waar in de praktijk. Als de gelijkenis onvoldoende is, is er geen effect.

We moeten dus eerst voldoende goede symptomen in handen hebben, anders kunnen we niet de juiste geneesmiddeldiagnose stellen en dat luistert heel nauw.

In de praktijk komt het erop neer, dat we regelmatig niet de juiste symptomen kunnen verzamelen en dus ook niet homeopathisch kunnen behandelen. De ‘symptoom deficiënte’ patient is een veel voorkomende oorzaak van het mislukken van homeopathie, omdat er geen middel gevonden en voorgeschreven kan worden of er wordt een verkeerd (gekozen) middel voorgeschreven.
Vandaar dat de homeopathie geen eenvoudige geneeswijze is om toe te passen. Er is veel studie en ervaring voor nodig om met homeopathie succesvol te zijn.



Causaal of symptomatisch

Er wordt vaak beweerd, dat de reguliere diergeneeskunde alleen maar symptomatisch werkt en de homeopathie altijd causaal. Dat is natuurlijk niet waar en veel te ongenuanceerd.

De ‘symptomatische’ reguliere ondersteuning is vaak ruim voldoende om de patient op eigen kracht volledig te doen genezen.  Echter bij de chronische patienten is dat vaak niet het geval. Denk bijv. aan dieren met chronische diarree of chronische huidklachten. In deze gevallen heeft de reguliere behandeling vaak maar een tijdelijk effect en treedt er steeds een terugval op. Een goede homeopathische behandeling kan in deze gevallen leiden tot een betere gezondheid van binnenuit en minder vatbaarheid voor externe invloeden. Maar dan moeten we het juiste middel kunnen vinden en de patient nog over voldoende ‘Reaktionsfähigkeit’ beschikken.



Bijwerkingen

Reguliere middelen kunnen bijwerkingen hebben, maar homeopathische middelen ook.

De veel gehoorde slogan bij homeopathie ‘baat het niet, schaadt het niet’ klopt vaak, maar niet altijd. Alsof reguliere geneesmiddelen altijd bijwerkingen zouden hebben en homeopathie nooit?

Homeopathische middelen kunnen in lage (soms ook hoge potenties), zeker bij frequente en / of langdurige toediening de symptomen verergeren, oude symptomen of nieuwe symptomen opwekken. Ze kunnen zeker op langere termijn schade aanrichten. Ook als het verkeerde middel, dat net niet passend is, aan het verkeerde dier wordt gegeven kunnen er juist klachten ontstaan

Reguliere diergeneesmiddelen hebben vaak bijwerkingen. Dat komt omdat hun werking breder is dan waarvoor ze in feite worden ingezet. Die bijwerkingen treden lang niet altijd op. De juridische zekerheid van de bijsluiter is vaak veel dreigender dan het in werkelijkheid is.

Reguliere diergeneesmiddelen zijn de laatste 10 jaar in het kader van de registratieplicht goed onderzocht op effectiviteit, veiligheid en dosering. De marge tussen werkzaamheid en overdosis is groot. Medicijnvergiftigingen komen normaal gesproken nauwelijks meer voor.

In het geval van bijwerkingen is er dikwijls sprake van individuele overgevoeligheid voor het medicijn. De gevolgen kunnen dan heftig tot zeer ernstig zijn. Het proactief geven van de juiste informatie aan de eigenaar over het gebruik van medicijnen, in het bijzonder over de bijwerkingen, regulier of complementair, is heel belangrijk. Hiermee kunnen veel problemen worden voorkomen.



Beperkingen

Iedere geneeswijze heeft haar eigen beperkingen. Dat geldt ook voor de homeopathie. Vandaar dat het belangrijk is dat er verschillende geneeswijzen naast elkaar (blijven) bestaan, zodat per patient gekeken kan worden wat de beste geneeswijze / behandeling is. Dit moet altijd gedaan worden door een dierenarts.

Een geneesmiddel, ook een homeopathisch geneesmiddel, een chirurgische ingreep e.d. zijn in feite alleen maar middelen ter ondersteuning van de genezing. Genezen doet het lichaam zelf. En zo zien we regelmatig dat het ‘ondersteunende middel’ (dat anders heel effectief is) niet meer werkt, omdat het lichaam niet meer over voldoende (zelf)genezend vermogen beschikt. Bijvoorbeeld door ouderdom of een immuunsysteem ziekte. Dan houdt het op, zeker ook voor de homeopathie.

Absence of evidence is not evidence of absence. Signalen negeren (of bevechten!), die doen vermoeden, dat er dingen gebeuren, die buiten het bestaande wetenschapsmodel (paradigma) vallen: het hoort niet bij onafhankelijke wetenschap! 

Anderzijds moeten homeopathisch werkende dierenartsen kritischer zijn over de mogelijkheden van homeopathie in de praktijk! 

We vatten de beperkingen van de homeopathie samen:

•  nog onvoldoende wetenschappelijk bewijs wat betreft werkingsprincipe en klinische effectiviteit.
•  de betrekkelijke waarde van ervaringen.
•  een  prikkeltherapie die afhankelijk is van het zelfgenezend vermogen van de patient zelf.
•  de complexiteit van het stellen van een geneesmiddeldiagnose: symptoom deficiëntie en frequent
   noodzakelijk gebruik van de humane homeopathische Materia Medica.

Het zijn echter de kritisch geëvalueerde praktijkresultaten met acute maar vooral chronische patienten – regelmatig als deze regulier uitbehandeld zijn – die ondanks de vele beperkingen blijven motiveren. Er is behoefte aan meer dan alleen reguliere diergeneeskunde. Naarmate de ervaring groeit, neemt het aantal positieve resultaten en het vertrouwen toe. Het is  een (moeizaam) proces van leren – toepassen – leren – toepassen enz. binnen de werkelijke lijnen van ons professionele speelveld.



Conclusie

De toepassing van homeopathie in de diergeneeskunde is per individu verschillend. Of homeopathie zinvol is voor die ene patient hangt af van de mate waarin kennis van en ervaring met de reguliere diergeneeskunde, kennis van en ervaring met de veterinaire homeopathie aanwezig is en men zich terdege bewust is van alle overwegingen hierboven beschreven.

Op die basis bepaalt de dierenarts (en niet de eigenaar!) bij iedere patient afzonderlijk welke geneeswijze / welke behandeling het beste welzijn en gezondheid van een dier zal kunnen dienen.

Uit ervaring weten wij, dat veel eigenaren absoluut niet op de hoogte zijn van de werkelijke plaats die de homeopathie in de diergeneeskunde heeft. Eigenaren vergroten de kansen met homeopathie vaak uit, kennen de beperkingen niet of bagatelliseren deze.

Het is de taak van de dierenarts om met kennis van zaken en ervaring aan een eigenaar uit te leggen wanneer homeopathie wel en wanneer het niet kan.

De boodschap voor de verstokte wetenschapper: Onze verantwoordelijkheid eindigt niet bij de grenzen van de wetenschap!

Met kennis van zaken, ervaring en de overwegingen hiervoor beschreven, kan het niet anders dan dat er plaats is en moet zijn voor homeopathie in de veterinaire praktijk van de toekomst met alle eisen die daar (vanuit het CKRD) bij horen.


Noten:

a.  Reguliere: gangbare, algemeen geaccepteerde universitaire of wetenschappelijke
b.  RCT: randomized controlled trial. Onderzoek met behulp van twee  aselecte (door het lot gekozen)
     groepen dieren waarbij de resultaten van de behandelde groep vergeleken worden met die van een
     placebogroep.
c.  Hormesis: Een bekend verschijnsel in de (reguliere) farmacologie waarbij stoffen in lage verdunningen
     vitaliteit van weefsels remmen, terwijl dezelfde stoffen in hoge verdunningen de vitaliteit in weefsel juist
     stimuleren.
d.  Complementair: Term die we gebruiken i.p.v. van alternatief. Complementaire of aanvullende
     geneeswijzen zijn bijv. homeopathie en acupunctuur.


Bronnen:

1. Vandenbroucke J., Onderzoekers laten zich makkelijk voor karretjes spannen, 2007, Ned. Tijdschr. 
    v. Geneeskunde, 151: 44 – 46.
2. Hellebrekers L., Presentatie CKRD landelijke informatie bijeenkomsten KNMvD, 2012.
3. Ive E.C. et al., Therapeutic Effect of Arsenicum album on Leucocytes, 2012, Int. J. Mol. Sci. 2012, 13,
    3979-3987
4. Chaplin M.F., literatuurlijst water structure and science www.lsbu.ac.uk/water/chaplin.html
5. Homeopathie Stichting, literatuurlijst humaan wetenschappelijk onderzoek homeopathie
    www.homeopathiestichting.nl/wetenschap
6. Rutten A.L.B. et al., Onderzoek Likelihood Ratio: uitkomsten, 2005, SSC 2005 (4): 9-12.
    www.dokterrutten.nl/collega/literat.html