Highlights
Bloeddrukmeting bij hond en kat


Disclaimer

Vetined / Edupet aanvaardt geen aansprakelijkheid voor het gebruik van haar artikelen, profielen e.d.. Ondanks de grote zorgvuldigheid betracht bij het samenstellen van haar artikelen, profielen e.d. aan de hand van literatuur en praktijkervaringen kan Vetined / Edupet geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele zetfouten en andere onjuistheden of onvolledigheden, noch voor de eventuele gevolgen van het handelen of juist nalaten van handelen op grond van de informatie die via haar artikelen, profielen e.d. is verkregen.    

Bronnen

  1. Indirect Blood Pressure Measurement, Jamie M. Burkitt Creedon, Clinician’s Brief, May 2012, page 26-30
  2. Noninvasive Blood Pressure Monitoring: A Review, Beate Egner, Anthony Carr and Technical University of Munich, Clinicians Brief, August 2010, page 71-74
  3. Blood Pressure Monitors, Lori S. Waddell, Clinician’s Brief, September 2005, page 31-32.
     

Zoektermen

Bloeddruk meting. Doppler. Oscillometrie.


INLEIDING

Het meten van de bloeddruk is heel gewoon bij mensen. Bij een ziekenhuisopname hoort bloeddrukmeting bij de dagelijkse routine. Bij honden en katten is bloeddrukmeting minder ‘gewoon’; althans zo was het tot voor kort. Dat had vooral te maken met het feit dat een betrouwbare bloeddrukmeting bij een hond of kat onder praktijkomstandigheden lastig uitvoerbaar was. Dat is vandaag de dag niet meer zo.

Het op peil houden van de juiste bloeddruk is ook voor onze huisdieren van levensbelang. Een juiste bloeddruk zorgt voor een juiste verdeling van het bloed (met o.a. zuurstof en voedingsstoffen) door het gehele lichaam. Een te hoge en een te lage bloeddruk kunnen ernstige gevolgen hebben.

De bloeddruk wordt gemeten in of aan de buitenkant van een arterie (slagader). De twee in de praktijk meest gebruikte methodes om de bloeddruk te meten bij hond en kat zijn de Doppler en de oscillometrische methode. Beide zijn zogenoemde indirecte methodes.

Bij de directe bloeddrukmeting wordt een meetinstrument direct in de slagader gebracht; bij een indirecte bloeddrukmeting wordt het meetinstrument aan de buitenkant tegen de slagader geplaatst en vindt er dus indirect een meting plaats.

Zowel bij de Doppler als bij de oscillometrische methode wordt gebruik gemaakt van een opblaasbare manchet (cuff). We kennen die van de bloeddrukmeting bij onszelf.

Door het opblazen van de cuff wordt de druk op een arterie (van een poot of de staart) opgevoerd tot voorbij het punt waarop de arterie volledig is afgesloten en het bloed ter plaatse niet meer kan doorstromen. Door vervolgens langzaam de druk van de cuff te laten afnemen wordt gemeten bij welke (bloed)druk de bloedstroom weer op gang komt. Die druk wordt beschouwd als de bloeddruk van het dier op dat moment.


DOPPLER METHODE

Met de Doppler methode meten we het geluid van stromend(e) bloed(cellen) en de bewegingen van de arteriewand (Doppler effect).

Met Doppler is alleen de meting van de systolische druk oftewel de ‘bovendruk’ betrouwbaar. De systolische druk is de maximale druk in de aorta (lichaamsslagader) die wordt opgebouwd tijdens het samentrekken van de linker hartkamer.

De meetresultaten van Doppler zijn ook betrouwbaar bij (ernstige) arythmieën (ritmestoornissen) van het hart; die van de oscillometrische methode minder (zie verderop). Met Doppler hebben we (slechts) een momentopname! De oscillometrische apparatuur kan zodanig ingesteld worden dat herhaaldelijk de bloeddruk gemeten wordt met door onszelf gekozen intervallen. Dat is vooral handig als dieren onder narcose liggen of in kritieke toestand op de intensive care verblijven.

Praktische toepassing

Bij de Doppler methode moet de huid waaronder de (te meten) arterie ligt kaal geschoren worden; daardoor en met behulp van een speciale geluid-geleidende gel kan de probe (‘sonde’) het geluid beter registreren.

De juiste plaats voor de probe is bij de voorpoot aan de achterzijde van de metacarpus (tussen pols en voet) en bij de achterpoot aan de voor- of achterzijde van de metatarsus (tussen hak en voet). De cuff wordt boven de kaalgeschoren plek geplaatst. Voor meting aan de staart wordt de onderzijde van staart kaal geschoren, direct achter de cuff, die zover mogelijk naar voren (ter hoogte van de staartbasis) geplaatst wordt.

De probe moet voor een goede registratie tijdens de meting nauwkeurig op de juiste plek (arterie) gehouden worden; dat kan soms lastig zijn. Voor de Doppler methode is veel meer oefening nodig om de gewenste vaardigheid te krijgen. Bij de oscillometrische methode hoeven we alleen maar de juiste cuff te plaatsen.


OSCILLOMETRISCHE MEDTHODE (HDO*

Met de oscillometrische methode meten we trillingen (oscillaties) van de arteriewand.

Met de oscillometrische methode meten we niet alleen de systolische druk (zie uitleg onder Doppler), maar ook de gemiddelde druk en de diastolische druk oftewel de ‘onderdruk’. De diastolische druk is de minimale druk in de aorta die ontstaat tussen twee hartcontracties bij het vullen van de linker hartkamer. Daarnaast wordt de polsfrequentie geregistreerd.

Met de oscillometrische methode kunnen we continu / herhaald metingen uitvoeren. Deze methode is vooral handig als dieren onder narcose liggen of in kritieke toestand op de intensive care verblijven.

Een nadeel van de oscillometrische methode is dat de meting van de bloeddruk bij (ernstige) arythmieën (ritmestoornissen) van het hart onbetrouwbaar is.

Praktische toepassing 

Bij de oscillometrische methode is scheren niet nodig en hoeven we alleen de juiste cuff te plaatsen. Bij de Doppler methode moeten we tijdens de meting de probe op de juiste plek houden, wat lastig kan zijn (zie hiervoor). Bij de oscillometrische methode kunnen we ons vooral bezig houden met het rustig houden van de patiënt (enkele minuten).

*High-Definition Oscillometry, de moderne verbeterde versie 


INSTRUCTIES 

Rust

De patiënt moet tijdens de bloeddrukmeting rustig zijn; daarvoor zijn de juiste animal handling, een rustige omgeving en voldoende vaardigheid met de apparatuur noodzakelijk. Er mag geen gebruik gemaakt worden van kalmerende middelen, omdat die de uitslag kunnen beïnvloeden.

Meerdere metingen

Er worden meerdere metingen uitgevoerd (min. 4-8). De eerste telt niet mee. Vervolgens moeten er minimaal 3-7 metingen gedaan worden met een variatie < 20%. De goede metingen worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal. Dat wordt dan beschouwd als de juiste bloeddruk.

Cuff maat

Om de juiste cuff maat te kiezen meten we (met een meetlint) eerst de omvang van de plaats waar de cuff zal worden aangebracht. De juiste cuff maat (wijdte in cm) is voor de hond 40% van de gemeten omvang van de cuff plaats, voor de kat 30-40%. Een te kleine en/of te strak aangelegde cuff resulteert in vals-hoge waarden, een te grote en/of te los aangelegde cuff in vals-lage waarden. Er mag bij het aanleggen van de cuff geen vinger tussen kunnen, maar de cuff mag ook niet te strak zitten!

Het kiezen (en aanleggen) van de juiste cuff, de vaardigheid met de apparatuur , goede animal handling  en een rustige omgeving zijn bepalend voor de betrouwbaarheid van de resultaten!

Cuff plaats

De cuff kan geplaatst worden op de voorpoot, achterpoot of staart. Het hoogteverschil (t.o.v. de ondergrond) tussen de plaats van de cuff en het rechter atrium (hartboezem) moet zo klein mogelijk zijn. Door een groter hoogteverschil zullen er bij bloeddrukmeting vals-hoge waarden gevonden worden door toedoen van het gewicht van het bloed tussen rechter atrium en cuff.

In borstligging kunnen we het niveau van het rechter atrium lokaliseren door een denkbeeldig lijn te ‘trekken’ tussen borstbeen en werveluitsteeksel direct achter het schouderblad, op ongeveer 40% vanaf het borstbeen. In zijligging kunnen we het borstbeen als oriëntatiepunt voor het niveau van het rechter atrium gebruiken.

Als de verticale afstand (hoogteverschil) tussen cuff en rechter atrium > 10 cm is, wordt er 0,8 mm Hg per cm afgetrokken van de gemeten bloeddruk.

Berekening vindt plaats over de totale afstand en dus niet alleen over de meerafstand. Als het hoogteverschil 20 cm is, dan wordt er dus niet 8 mm Hg afgetrokken van de gemeten bloeddruk maar 16 mm Hg.

Cuff druk

De druk wordt aangegeven in mm Hg. De cuff moet circa 20 mm Hg meer opgeblazen worden dan te verwachten bloeddruk. Langzaam met kleine beetjes de spanning in de cuff verminderen.


REFERENTIEWAARDEN

Ongeacht de brede range voor wat wordt beschouwd als normaalwaarden (zie tabel) wordt een consequente systolische bloeddruk > 160, zowel voor hond als kat, gedefinëerd als hypertensie of te hoge bloeddruk, een consequente systolische bloeddruk < 80 als hypotensie of te lage bloeddruk (c).

Bloeddruk bij hond en kat (Waddell; c)
 


 

Normaal
Systolisch
mm Hg

 

Normaal
Diastolisch
mm Hg

 

Hypertensie
Systolisch
mm Hg

 

Hypertensie
Diastolisch
mm Hg

 

Hypotensie
Systolisch mm Hg

 

Hypotensie
Gemiddeld mm Hg

 

HOND

110 – 190

55 – 110

> 160

> 100

< 80

< 60

KAT

120 – 170

70 – 120

> 160

> 100

< 80

< 60



INDICATIES 

Algemeen is bloeddrukmeting een ‘must’ bij alle oude en chronisch zieke dieren, tijdens algehele anaesthesie en bij emergency / critical care.

Hypertensie wordt gezien bij o.a.:

  • Plotselinge blindheid (kat)
  • Acute neurologische verschijnselen
  • Hyperparathyreoïdie (te snel werkende schildklier; kat)
  • Diabetes mellitus (suikerziekte)
  • Hyperadrenocorticisme (ziekte van Cushing)
  • Pheochromocytoom (bijniertumor)
  • Matige polskwaliteit (bevinding tijdens klinisch onderzoek)
  • Hartproblemen
  • Nierproblemen
     

Hypotensie wordt gezien bij o.a.:

  • Hypovolaemie (absoluut of relatief verminderd circulerend bloedvolume bij bloed-/ vochtverlies, perifere vaatverwijding, shock)
  • Hartproblemen
  • Sedatie (kalmering) of algehele anesthesie (narcose)